Waarom diepzeevissen lelijk zijn

De oceanen verbergen heel wat moois, maar hoe dieper men gaat hoe moeilijker die schoonheid te vinden is. Wetenschappers van het Marine Laboratory in Aberdeen, Schotland, deden enkele jaren geleden onderzoek naar de morfologie van deze diepzeevissen. Zeewaternieuws kon de studie inkijken.

Anoplogaster cornuta komt voor op een diepte van 500 - 2000 meter, maar kan afdalen tot 5000 meter © David Wrobel

Anoplogaster cornuta komt voor op een diepte van 500 – 2000 meter, maar kan afdalen tot 5000 meter © David Wrobel

Francis Neat en dr. Neil Campbell onderzochten het voorkomen van verschillende vissen op grote dieptes. Vaak zijn deze aalvormig, met woest uitziende tanden. De dieren vertonen bovendien unieke jachtmethodes, zoals de hengeltechniek van bijvoorbeeld Ceratiidae sp..

Tijdens onderzoek, dat van 1998 tot 2012 liep, vingen de wetenschappers 842,468 vissen. Ze gebruikten een boot met fijn sleepnet. De vissers haalden 266 verschillende soorten binnen op dieptes van 500, 1000, 1500 en 1800 meter.

Aal-achtige dieren

Zoals de onderzoekers verwachtten, was er een correlatie tussen de vorm van het vissenlijf en de diepte waarop ze gevangen werden. Diepzeevissen hebben vaker een aal-achtig lijf.

Volgens de onderzoekers zou dit komen omdat deze dieren geen nood hebben aan snelheid. Er is immers geen licht of schuilplaats, waardoor de vissen meer baat hebben bij een energiebesparende zwemtechniek.Door deze besparing kunnen de vissen hun energie steken in het groeien en voortplanten.

Sommige diepzeevissen zijn zo geëvolueerd, dat ze uitklappende kaken hebben. Een geducht wapen, waardoor ze niet moeten versnellen tijdens de jacht.  

Met behulp van verschillende zijvinnen kunnen sommige diepzeevissen bovendien sneller afremmen of achterwaarts zwemmen. Dit is nuttig voor plotselinge ontmoetingen met prooien.

Chauliodus macouni komt voor op een diepte van 4400 meter en wordt zo'n 25 centimeter groot © David Wrobel

Chauliodus macouni komt voor op een diepte van 4400 meter en wordt zo’n 25 centimeter groot © David Wrobel

Uitzonderingen

Toch zijn niet alle diepzeevissen gezegend met het lijf van een aal. Denk maar aan Beryx spp. of Hoplostethus atlanticus. Deze dieren komen in gebieden voor met een steile zeebodem, wat zorgt voor een dynamische jachtomgeving.

Andere voorbeelden, zoals de Ceratiidae familie, zijn valstrikjagers. Zij blijven liggen op de bodem, en bewegen pas als er een prooi voor hun neus zwemt. Door deze jachttechniek moeten ze eigenlijk niet meer veel zwemmen, waardoor hun lijf de luxe heeft om uit te zetten. Zo is er bovendien nog eens meer plaats voor voedsel.

De Liparidae, vissen die enkel voorkomen op uiterste dieptes, zijn een mix van de twee. Hun grote hoofden zijn verbonden met aal-achtige lijven. Onderzoekers denken dat dit te maken heeft met het gebrek aan voedsel op deze dieptes. Wanneer ze eindelijk een prooi tegenkomen, is het dus van belang om zo veel mogelijk in één keer te kunnen eten.

Mysteries blijven

Elk jaar leren we bij over de diepzee, maar toch blijft het gebied één van de laatste onontgonnen zones van onze planeet. Het is van kapitaal belang dat er meer onderzoek wordt gedaan naar deze biotoop en haar inwoners.

Wat er nog allemaal leeft in de diepzee is niet duidelijk. De studie geeft echter wel een idee van wat we kunnen verwachten: aal-achtige lijven. Volgens de onderzoekers zijn alle vissen die voorkomen na 1500 meter ongetwijfeld gezegend met een aal-achtig uiterlijk, een lelijk, maar degelijk lijf.

Leave a Reply